Meer
Publicatiedatum: 08-08-2016

Inhoud

Programma onderdelen

Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing

Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing

Het weerstandsvermogen is nodig om risico’s in de exploitatie op te vangen: zonder weerstandsvermogen levert iedere tegenvaller een probleem op bij een sluitende begroting. Hoe hoger de risico’s, hoe hoger de weerstandscapaciteit (bijvoorbeeld reserves of ruimte in tarieven) moet zijn. Het gaat hier dus om de robuustheid van de begroting. 

Deze paragraaf beschrijft de risico’s waarmee de gemeente geconfronteerd kan worden, welke financiële buffers daar tegenover staan en hoe de risico’s beheerst kunnen worden.

De paragraaf bestaat uit de volgende delen:

  1. Beleidskader;
  2. Structurele weerstandscapaciteit;
  3. Incidentele weerstandscapaciteit;
  4. Conclusie weerstandscapaciteit;
  5. Risicobeheersing;
  6. Relatie tussen risico’s en weerstandscapaciteit;
  7. Weerstandsratio en  kengetallen

Beleidskader

Artikel 11 van het BBV (Besluit Begroting en Verantwoording) beschrijft het volgende over het weerstandsvermogen. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken en alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.
 
De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen en risicobeheersing bevat tenminste:

  • een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;
  • een inventarisatie van de risico’s;
  • het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s;
  • een kengetal voor de netto schuldquote, netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio, grondexploitatie, structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit.
  • een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie.
     

De weerstandscapaciteit van een gemeente is de buffer die aanwezig moet zijn om mogelijke risico’s af te kunnen dekken. Het gaat hierbij om het vermogen dat aanwezig is om risico’s financieel af te kunnen dekken, zonder dat de bedrijfsvoering in gevaar komt.
Dit in de wetenschap dat de risico’s zich nooit allemaal tegelijk zullen voordoen.
De vragen die we ons stellen zijn:

  • Heeft de gemeente de mogelijkheid om bij een sterke daling van het eigen vermogen de tarieven te verhogen?
  • Zijn er mogelijkheden om de kosten die nu binnen de bestemmingsreserves worden afgedekt binnen de reguliere begroting te dekken?

De gemeente Heerde wil daarbij structurele risico’s afdekken met structurele weerstandscapaciteit en incidentele risico’s afdekken met incidentele weerstandscapaciteit.
 
Bij de behandeling van de laatste nota van reserves en voorzieningen is afgesproken dat de beleidsuitgangspunten met betrekking tot het weerstandsvermogen overzichtelijk in beeld gebracht gaan worden. Deze worden hieronder opgesomd.
 
De basis van bepaling van de ruimte van ons structureel weerstandsvermogen is een vergelijking met de duurste gemeente van Nederland. Hierbij past de kanttekening dat dit bij daadwerkelijke invulling in de politiek op grote weerstand stuit. Niettemin wordt er inzicht gegeven in de theoretische “speelruimte” van de OZB tarieven. Wij baseren ons hierbij op de COELO cijfers. Naast deze basis wordt ter informatie aangegeven hoeveel ruimte er beschikbaar is in de OZB tarieven tot de artikel 12 norm. Hierbij baseren wij ons op provinciale gegevens.
 

De tijdelijke reserves worden niet meegenomen als weerstandscapaciteit. Deze tijdelijke reserves zijn bedoeld voor budgetoverheveling van het ene jaar naar het ander jaar. De reserve wordt dan gebruikt als de activiteit in het daaropvolgende jaar wordt uitgevoerd.
 
Onze totale reservepositie wordt ingezet als weerstandscapaciteit. Verder zijn de tijdelijke reserves uitgezonderd (zoals hierboven staat toegelicht).
 
De post onvoorzien in de exploitatie wordt niet meegenomen als weerstandscapaciteit omdat deze post bedoeld is om de begroting op een soepele manier uit te voeren en in eerste instantie niet om risico’s op te vangen.
 
Stille reserves worden alleen meegenomen als weerstandsvermogen als deze binnen 2 jaar liquide (dus in geld zijn om te zetten) zijn te maken.
 

De risico top 10 in deze paragraaf zullen worden toegelicht met:

  • een omschrijving van het risico;
  • de hoogte van het risicobedrag;
  • wijze van berekening van het risicobedrag;
  • de maatregelen ter beheersing van het risico

De weerstandscapaciteit in relatie tot de risico’s wordt zichtbaar gemaakt in een tabel en tevens uitgedrukt in een weerstandsratio.
 

De raad heeft op 9 maart 2015 bij de behandeling van de nota reserves en voorzieningen 2015 de beleidslijn uitgesproken dat bij toekomstige jaarrekeningoverschotten zo veel als mogelijk bedragen toegevoegd worden aan de niet geblokkeerde Algemene Reserve, om zodoende het solvabiliteitspercentage toe te laten nemen. Dit toevoegen aan de reserve zal steeds per expliciete besluitvorming worden voorgelegd aan de raad.

 

Structurele weerstandscapaciteit

Structurele weerstandscapaciteit is het vermogen om onverwachte structurele tegenvallers in de begroting (bijvoorbeeld een hogere uitgave voor de WWB of een lagere Algemene Uitkering) op te vangen, zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de taken.
De gemeente Heerde heeft op de OZB-heffing na, nagenoeg geen resterende structurele belastingcapaciteit meer. De afvalstoffenheffing, rioolheffing en begrafenisrechten zijn maximaal kostendekkend en kunnen dus niet meer worden verhoogd. Om de weerstandcapaciteit te beïnvloeden kunnen ook de kosten worden verlaagd. De
gemeente heeft al diverse bezuinigingsronden gehad. Hierbij zijn vele bezuinigingen verwerkt in de begroting.
 

Gemiddelde woonlasten

Er is geen maximum gebonden aan het tarief van de OZB, maar er is wel een macronorm om er voor te zorgen dat er landelijk niet boven de norm OZB geheven wordt. Er volgt dan mogelijk een korting op de Algemene Uitkering.
Voor het jaar 2016 is deze macronorm gesteld op 1,57%. In het jaar 2015 was er landelijk een overschrijding van de macronorm van € 43,5 miljoen. Bij het vaststellen van het percentage van 1,57% is met deze overschrijding rekening gehouden. Overigens zijn er geluiden om de macronorm geheel af te schaffen omdat dit geen effectief beheersingsinstrument is gebleken. Het kabinet wil met een voorstel komen om vanaf 2019 een verschuiving te realiseren van € 4 miljard van de inkomstenbelasting naar het gemeentelijk belastinggebied.
 
De gemiddelde woonlast in Heerde is € 833,- (COELO 2016). De duurste gemeente is € 1.215,-. Als Heerde dit bedrag over zou nemen, dan zou er nog een structurele ruimte zijn van € 2,9 miljoen.
 
De structurele ruimte in de OZB tarieven die er volgens de artikel 12 norm nog aanwezig is, is € 331.000,-. Deze gegevens zijn verstrekt door de provincie Gelderland en zijn gebaseerd op de begroting 2016.
 
De structurele risico’s in deze paragraaf (dus zonder de grondexploitatie) zijn € 1.434.500,-. Afgezet tegen de € 2,9 miljoen ruimte die we nog hebben ten opzichte van de duurste gemeente kan de conclusie getrokken worden dat wij die ruimte hebben.
Maar, het ramen van deze risico’s moet wel in het juiste perspectief worden gezien. Het is nog geen uitgaaf en niet alle risico’s zullen zich naar verwachting op hetzelfde moment voordoen.
 
Onvoorzien

Soms wordt ook de post onvoorzien als structurele weerstandscapaciteit gezien. In Heerde is de post onvoorzien structureel geraamd op € 50.000,-.
In feite is deze post bedoeld om de begroting op een soepele manier uit te voeren en in eerste instantie niet om risico’s op te vangen.
Voor bepaling van de weerstandscapaciteit is onvoorzien daarom niet meegenomen.

 

Incidentele weerstandscapaciteit

Incidentele weerstandscapaciteit is het vermogen om onverwachte éénmalige tegenvallers op te kunnen vangen, zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van taken. De incidentele weerstandscapaciteit valt samen met de reserves.
 
De geraamde reservepositie is € 17,3 miljoen per 1 januari 2017. Hierbij wordt geen rekening gehouden met tijdelijke reserves.

Algemene reserve  
Algemene reserve 4.883.962
Algemene reserve grondexploitatie 5.407.844
  10.291.806
Bestemmingsreserves  
Afkoop onderhoud graven 1.182.793
Afvalstoffenheffing 935.531
t.b.v. investeringen 4.841.220
  6.959.544
Totaal reserves voor weerstandsvermogen 17.251.350

 Ontwikkeling reserves

Hieronder volgt de ontwikkeling van de totale reserves (in miljoenen)
 

2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
13,3 13,4 15,9 17,3 17,7 18,5 19,3

Algemene reserve
De Algemene Reserve bestaat uit de Algemene Reserve en de Algemene Reserve Grondexploitatie. De Algemene Reserve is bedoeld om risico’s in de gewone exploitatie op te vangen en de Reserve Grondexploitatie die van de grondexploitatie.
 
Bestemmingsreserves
Bestemmingsreserves hebben, zoals de naam al aangeeft, een bestemming voor kosten in de exploitatie. Het bovenstaande overzicht laat zien dat er € 7,0 miljoen aan bestemmingsreserves zijn.
 
Stille reserves

Er zijn stille reserves als de marktwaarde van de bezittingen (activa) de boekwaarde daarvan overstijgt. In principe dragen stille reserves bij aan de weerstandscapaciteit: bij een substantiële tegenvaller kan een deel van de bezittingen worden verkocht tegen een hogere waarde dan de boekwaarde, waardoor boekwinst ontstaat. Deze boekwinst kan gebruikt worden om de tegenvaller op te vangen. Ook investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut kunnen worden gezien als stille reserves, omdat deze investeringen niet alle geactiveerd kunnen worden. Maar er is alleen sprake van stille reserves als ze direct liquide gemaakt kunnen worden, om meegeteld te mogen worden voor de weerstandscapaciteit. Zo is vrije verkoop van onroerend goed niet aan de orde als de gebouwen worden gebruikt voor de eigen huisvesting. Op dit moment staan een aantal vrijkomende locaties en ander vastgoed te koop. Deze locaties hebben nog een boekwaarde en ze worden verkocht door middel van uitnodigingsplanologie. Verder zijn er nog een aantal groenstroken te koop. De verwachting is dat deze beide posten tezamen op korte termijn een opbrengst gaan halen van € 50.000,-. De stille reserve kan dus bepaald worden op deze € 50.000,-.

 

Conclusie weerstandscapaciteit

Structureel:

De totale structurele weerstandscapaciteit wordt bepaald op de ruimte die Heerde heeft in relatie tot de gemeente met de duurste woonlasten, zijnde € 2.900.000,-.

 

Incidenteel:

De incidentele weerstandscapaciteit heeft een omvang van € 17,3 miljoen en is aanwezig in de reserves en stille reserve.

 

Risicobeheersing

Deze paragraaf bevat de top 10 risico’s (volgorde van groot risico naar klein).
In de top 10 is aangegeven:

  • Omschrijving (van het risico);
  • Hoogte van het risicobedrag;
  • Wijze van berekening;
  • Beheersing van het risico.

Voor sommige risico’s is het moeilijk een risicopercentage te berekenen. Dat is dan aangegeven. In die gevallen is voorzichtigheidshalve in de reservepositie dan rekening gehouden met tegenvallers.
 

1. Bedrijvenpark Hattemerbroek

Omschrijving
In juni 2013 werd het Vernieuwd Perspectief van het Bedrijvenpark door de drie gemeenten onderschreven. Het Bedrijvenpark moet zich vooral richten op het aantrekken van bedrijven in de logistieke sector. Aan de randvoorwaarden om dat mogelijk te maken is met voortvarendheid gewerkt:
1.    Het Bedrijvenpark is aangewezen als 'bovenregionaal' bedrijventerrein,
2.    De bestuurlijke samenwerking met Zwolle en Kampen is geïntensiveerd met het oog op onderlinge afstemming en uitwisseling van informatie,
3.    Er is een voorontwerp bestemmingsplan en een beeldregieplan opgesteld,
4.    Het ontwikkelings- en financieringsplan voor het nieuwe op- en afrittenstelsel is afgerond; de bestemmingsplanprocedure daarvoor is gestart.
In het kader van de risicoanalyse wordt de plausibiliteit van grondexploitatieberekening van het Bedrijvenpark door de gemeentelijke accountant jaarlijks getoetst. Op basis van de uitkomsten van een eerdere analyse (2014) is een verliesvoorziening ingesteld, ter hoogte van € 765.000,- per gemeente. Verder calculeren wij twee risico’s:
1.    Een risico op de garantstelling ten opzichte van de financiers. Wij hebben dat risico bepaald op 10% van het bedrag waarvoor we garant staan,
2.    Een risico op de garantstelling voor de financiering van het nieuwe op en afrittenstelsel.
 

Hoogte van het risicobedrag

Het risicobedrag is vastgesteld op € 2.050.000,-.
 

Wijze van berekening

Door elk van de drie gemeenten is voor een bedrag van € 13 miljoen aan garantstelling verleend. Wij stellen het risicobedrag vast op 10% van deze € 13 miljoen,-.
Door elk van de drie gemeenten is voor een bedrag van € 1 miljoen garantstelling verleend voor de financiering van het nieuwe op en afrittenstelsel. Het risicobedrag is vastgesteld op 75% van
€ 1 miljoen.
 

Beheersing van het risico

Om de risico’s te beheersen wordt er periodiek een risicomanagementrapportage opgesteld voor de betrokken gemeenten en wordt jaarlijks een grondexploitatieberekening en een liquiditeitsprognose gemaakt door het Bedrijvenpark.
 

2. Grondexploitatie

Omschrijving

De grondexploitatie is een onderdeel van de totale gemeentelijke exploitatie. Het is een activiteit waar veel geld in omgaat en waarin veel risico’s worden gelopen. In de begroting 2017 zijn 6 gemeentelijke complexen opgenomen die in uitvoering zijn. (zie hiervoor verder de paragraaf Grondbeleid en het MPG dat vertrouwelijk bij de stukken ter inzage ligt). De Niet In Exploitatie Genomen Gronden (NIEGGS) zijn in het jaar 2015 vanwege fiscale redenen afgeboekt.
 

Hoogte van het risicobedrag

 A. Risico’s in complexen:

  • reeds lopende complexen (vakterm is “IEGG in exploitatie genomen gronden”)

 Over het totaal van de 6 complexen ad. € 7.335.872,- wordt een risicobedrag berekend van gem. 5,7%. Het risicobedrag is afgerond € 415.000,-.

 B. Overige risico’s zoals:

  • niet nakomen van verplichtingen door derden op grond van exploitatieovereenkomsten,
  • gewijzigde omstandigheden na vaststelling exploitatiebijdragen,
  • calculatierisico’s,
  • planschadevergoedingen.
  • invoering Vennootschapsbelasting (VPB) dat vooral voor de grondexploitaties grote gevolgen kan hebben.

 De overige risico’s worden bepaald op € 300.000,-.
 
Benodigd weerstandsvermogen Grondexploitatie A + B is € 715.000,-.
 

Wijze van berekening

Bij grondexploitaties die in exploitatie zijn genomen (IEGG) wordt de geactualiseerde grondexploitatieberekening als basis genomen voor de risicoberekening. In deze exploitatieberekening wordt een reële schatting gemaakt van de kosten, verkoopprijzen en fasering van de verkoop van de gronden. Deze schatting wordt onder andere gemaakt door het uitgiftetempo van de te verkopen gronden te beoordelen, de ontwikkelingen van marktomstandigheden te bekijken zoals de doorstroming op de huizenmarkt, hoogte van hypotheekrente, maatregelen van hypotheekverstrekkers enz.
Het risico wordt bepaald met behulp van de Risman methode. Hierbij wordt het risico berekend door de formule kans x risico. De optelsom van alle risico’s van alle complexen wordt hierboven onder “hoogte van het risicobedrag” vermeld. De berekeningen zijn om strategische redenen niet openbaar.
 

Beheersing van het risico

Om de risico’s te beheersen is het beleid dat de grondexploitatieberekeningen 2 maal per jaar worden herzien. De resultaten van de berekeningen worden opgenomen in het MPG (Meerjaren Prognose Grondexploitatie). Dit verslag wordt u aangeboden bij het vaststellen van de jaarrekening en de najaarsnota.
 

3. Drie decentralisaties

De gemeente is verantwoordelijk voor de Participatiewet, de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet.
 
De decentralisaties gaan gepaard met flinke kortingen. Binnen de 3 decentralisaties mag door de gemeente naar eigen inzicht geschoven worden met de landelijke middelen. De gemeente heeft met veel partijen te maken, die subsidie ontvangen of op basis van de raamovereenkomst kosten bij ons in rekening brengen. Wij onderzoeken of deze relaties aansprakelijk gesteld kunnen worden voor de loonheffingen en omzetbelasting, wanneer deze partijen niet zelf aan hun verplichtingen kunnen voldoen.
De stelpost economische crisis (structureel in de begroting) van € 245.000,- kan zo nodig worden ingezet voor tekorten voor de drie decentralisaties. Dit is des te noodzakelijker omdat wij met ingang van 2016 realistisch ramen voor de decentralisaties. Dit betekent in de praktijk dat wij minder begroten dan de bedragen die wij van het rijk ontvangen. Deze stelpost zal gecorrigeerd worden op het totaal van de hieronder genoemde risicobedragen.
We zitten volop in het proces van transformatie. We richten ons steeds meer op preventieve activiteiten en algemene voorzieningen om de drempel voor de inwoner zo laag mogelijk te houden, maar ook deze vormen moeten bekostigd worden. Bovendien worden we gedwongen om bijvoorbeeld de algemene voorziening schoon en leefbaar huis aan te besteden en hiervoor een kostprijs per uur te hanteren in plaats van de thans gehanteerde systematiek waarbij vooraf het maximale subsidiebedrag bekend was.
 

A Participatiewet

Omschrijving

Het participatiebudget voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening en re-integratie voor Heerde is voor 2017 € 2.450.000,-.
 

Hoogte van het risicobedrag

Het risico is berekend op € 150.000,-.
 

Wijze van berekening

Dit budget neemt voor 2018 af met € 162.000,- en voor 2019 nog weer met € 124.000,-. Hier ligt het grootste risico. Dit betekent dat de blijfkans van de huidige inwoners die gebruik maken van de Wet sociale werkvoorziening mede het risico bepaalt. Bovendien zetten wij sterk in op uitstroom naar werk, maar daarbij gaan de kosten voor de baten uit.
 

Beheersing van het risico

Binnen de Gemeenschappelijke Regeling (GR) van de Feluagroep met Apeldoorn en Epe wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een toekomstbestendig SW bedrijf, rekening houdend met de instroomstop van de WSW. Het project Door naar Werk clustert de expertise van de medewerkers Werk van de gemeente Apeldoorn (doelmatigheid) met de expertise van de (ambtelijk) medewerkers van Felua. Daarbij wordt gekeken op welke manier de dienstverlening in de toekomst kan worden vormgegeven. Uitgangspunt blijft om zoveel mogelijk WSW-ers extern bij een werkgever te plaatsen. Dit leidt tot verlaging van de loonkosten.
 

B Extramurale AWBZ-zorg/WMO

Omschrijving

De gemeente is verantwoordelijk voor de extramurale begeleiding in het algemeen en, voor zover in het verlengde van de begeleiding, de extramurale persoonlijke verzorging van mensen met een verstandelijk of zintuiglijke beperking en psychiatrische problematiek én beschermd wonen. Ook blijft de gemeente verantwoordelijk voor een schoon en leefbaar huis van die inwoners die daarin zelf of met behulp van hun omgeving niet kunnen voorzien. De mate waarin de gemeente bijdraagt in de financiering hiervan is door de raad bepaald, door een bandbreedte aan te geven van de eigen bijdrage. In 2017 komt er meer duidelijkheid over de wijze waarop vorm gegeven wordt aan beschermd wonen anders dan in de centrumgemeente Apeldoorn. 

 

Hoogte van het risicobedrag

Het risicobedrag voor de nieuwe taken is berekend op € 256.000,-.
 

Wijze van berekening

Voor het jaar 2017 ontvangen wij van het rijk een bedrag van € 2.564.000,-. Dit bedrag is ten opzichte van het jaar 2016 verlaagd met € 331.000,-. Voor de jaren 2018 en 2019 wordt dit bedrag nog verder verlaagd met respectievelijk € 47.000,- en € 30.000,-.
 

Beheersing van het risico

Om de effecten van de ombuigingen te compenseren en beheersen wordt gebruik gemaakt van:

  • De mogelijkheden van mensen met een beperking en hun netwerk te onderkennen, te ondersteunen en optimaal in te zetten;
  • Voorliggende en algemene voorzieningen als het kan, individuele voorzieningen als het moet. 


C Jeugdzorg

Omschrijving

In 2015 zijn de budgetten voor de Jeugdwet overgeheveld van het rijk naar de gemeenten. Voor Heerde is het budget op basis van de Meicirculaire 2016 voor het jaar 2017 geraamd op
€ 3.219.000,-. Voor de komende jaren blijft dit bedrag min of meer gelijk. Hierbij is rekening gehouden met de opgelegde kortingen van het rijk en het objectief verdeelmodel. Het risico voor de Jeugdzorg bestaat uit een toename van de vraag naar voorzieningen.
Door de inzet van ambulante werkers aan de voorkant in het team Jeugd willen wij de kosten voor de voorzieningen Jeugdhulp beperken. Dit heeft echter tijd nodig. Bovendien hebben aanbieders de mogelijkheid om binnen 5 jaar te declareren. Uiteraard proberen we wel zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen en is de verwachting dat dit daadwerkelijk tot forse betalingen zal leiden, niet groot. We hebben wel te maken met indexeringen die hoger kunnen liggen dan de door ons gehanteerde lijn van 1,2%. Deze worden namelijk in regioverband bepaald.
 
Hoogte van het risicobedrag

Het risico is berekend op € 320.000,-.
 

Wijze van berekening

De berekening van dit bedrag is gebaseerd op 10% van het berekende budget voor het jaar 2017 van € 3.219.000,-.
 

Beheersing van het risico

Het risico wordt verkleind door voor zeer specialistische, bovenregionale, jeugdhulp solidair te zijn. Naast transitie wordt ingezet op transformatie om uit te komen met minder beschikbare middelen. Verdere samenwerking kan de risico’s ook verkleinen, maar kan ook leiden tot een solidariteitsbijdrage terwijl de werkelijke kosten voor ons onevenredig zijn.
 

4. Algemene Uitkering

Omschrijving

Een belangrijk risico vormt de stabiliteit van onze belangrijkste bron van inkomsten: De Algemene Uitkering. Deze Algemene Uitkering is een onderdeel van het gemeentefonds. Het gemeentefonds betreft 58% inkomsten inclusief de 3 decentralisaties, ten opzichte van het totaal baten in de exploitatie. Gemeenten zijn afgelopen jaren geconfronteerd met diverse opkomende taakstellende kortingen zoals de forse korting in verband met het niet doorgaan van de afschaffing van het BTW-Compensatiefonds en de korting Onderwijshuisvesting. En nog steeds zijn er diverse onzekerheden met betrekking tot het correct ramen van de algemene uitkering. We benoemen:

  • Het ingebouwde plafond BTW-compensatiefonds van 2,8 miljard;
  • Uitname uit het gemeentefonds oplopend tot € 975 miljoen voor lagere apparaatskosten in verband met opschaling tot 100-150 gemeenten in het jaar 2025;
  • De herijking van de clusters in het fonds;
  • Discussie of de overige eigen middelen (OEM) een rol gaan spelen in de verdeling van het fonds;
  • Wisselende uitkeringsfactoren;
  • Ontwikkelingen in accressen, afhankelijk van de uitgaven van het Rijk;
  • Aanpassingen van maatstaven en bijbehorende tarieven. In het bijzonder kunnen hier de schommelingen van het aantal bijstandsontvangers genoemd worden. 

 Hoogte van het risicobedrag

Wij berekenen het risico voor het maken van een juiste raming op € 375.000,-.
 

Wijze van berekening

Van veel van de bovengenoemde risico’s is het niet mogelijk een reële schatting te maken. Het risicobedrag is daarom berekend door het risico te schatten op 3% van de Algemene Uitkering van afgerond € 12,5 miljoen.
Dit percentage is een langjarig gemiddelde van het accres. Accres is de jaarlijkse toevoeging aan het fonds dat in de pas loopt met de ontwikkelingen in de rijksbegroting.
 

Beheersing van het risico

Een individuele gemeente kan nauwelijks invloed uitoefenen op de hoogte van de uitkering. Vrijwel maandelijks ontvangt de gemeente specificaties waarin wijzigingen in maatstaven en tarieven staan. Deze ontwikkelingen worden nauwlettend in de gaten gehouden. Waar nodig zal een verklaring voor verschillen gezocht moeten worden en anders actie ondernomen moeten worden. Verder worden er jaarlijks minimaal twee circulaires uitgegeven waarin de nieuwste gegevens en ontwikkelingen staan. Op basis van deze circulaires kunnen gemeenten een nieuwe berekening maken van de Algemene Uitkering. Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van het programma Pauw van Frontin Pauw. Via nieuwsbrieven geeft deze organisatie ook tips en belangrijke aandachtspunten mee voor de berekeningen. Naar aanleiding van deze nieuwe berekeningen wordt de begroting overeenkomstig aangepast.

 

5. Loon en prijspeil

Omschrijving

De begroting 2017 is gebaseerd op het loon- en prijspeil van het jaar 2016. Er wordt geraamd op basis van de meest actuele CAO. Voor 2017 betekent dit een stijging van 1,5% ten opzichte van 2016. Tevens is het extra te betalen vakantiegeld (in het kader van het individueel keuzebudget) en de werkkostenregeling in de raming opgenomen.
 Voor prijsstijgingen wordt het indexcijfer uit de Meicirculaire gehanteerd (1,2%).
 

Hoogte van het risicobedrag

Het risicobedrag voor de loonkosten is € 98.000,- en voor prijsstijgingen is dit € 93.000,-.
 

Wijze van berekening

De berekening van het risicobedrag voor de loonkosten is gemaakt door 1% van de loonsom van
€ 9.800.000,- te nemen (incl. inhuur derden). De berekening voor die van de prijsstijgingen is gemaakt door 1% te nemen van de uitgaven aan derden, exclusief subsidies. Voor 2017 is dit een bedrag van € 9.265.000,-.
 

Beheersing van het risico

Op de hoogte van loonkosten en prijsstijgingen heeft de gemeente geen invloed.
De begroting wordt gebaseerd op de indexcijfers die het rijk afgeeft in de meicirculaire van de Algemene Uitkering. Bij het opstellen van de voorjaars- en najaarsnota wordt de vinger aan de pols gehouden met betrekking tot deze ontwikkelingen en zo nodig de begroting aangepast.
  

6. Inkomensdeel van de Participatiewet

De WWB is vanaf 1 januari 2015 vervangen door de Participatiewet. De financieringssystematiek is vergelijkbaar en daarmee ook het risico (een open eind financiering).
Het inkomensdeel van de Participatiewet is een post die moeilijk is te beïnvloeden, al is ons proces zo ingericht dat inwoners die een beroep doen op bijstandsverlening voor levensonderhoud vanaf het eerste moment worden gestimuleerd om actief te (blijven) zoeken naar betaald werk. Wettelijk is bepaald dat alle bijstandsaanvragen in een jaar moeten worden gehonoreerd. Er kan dus geen invloed worden uitgeoefend op de hoogte van deze kosten.
Met ingang van 2015 wordt het budget niet langer bepaald door de T-2 systematiek maar door een objectief verdeelmodel, het zgn. BUIG budget. Op basis van objectieve factoren en een statistische analyse wordt een schatting gemaakt wat gemeenten uit gaan geven aan uitkeringen. Als een gemeente minder uitgeeft dan dit model dan mag een gemeente dit verschil houden, maar als er meer wordt uitgegeven is het tekort voor de eerste 5% overschrijding en als blijkt dat er sprake is van een grotere overschrijding voor nogmaals 2,5% van het BUIG budget voor eigen rekening. Dit is de zogenaamde Vangnetuitkering. Als er sprake is van een grotere overschrijding wordt het meerdere vergoed door het Rijk wanneer de gemeente haar beleid om inwoners aan werk te helpen op orde heeft. Jaarlijks wordt de notitie Vangnetuitkering Participatiewet waarin dit beleid is vastgelegd is door de gemeenteraad vastgesteld.
 

Hoogte van het risicobedrag

Het risico bedrag wordt vastgesteld op € 170.000,-.
 

Wijze van berekening

Berekening op basis van 5% en 2,5% van het BUIG budget van € 2.263.000,-.
 

Beheersing van het risico

Het beheersen van het aantal uitkeringsgerechtigden is alleen mogelijk door een intensief beleid gericht op uitstroom. Dit vindt plaats in de Pilot Werk.


 
7. Wonen in een geschikte woning (onderdeel van de WMO)

Omschrijving

Gemeenten hebben de wettelijke opdracht om de zelfredzaamheid en participatie van haar inwoners te bevorderen en ondersteunen, opdat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. De woning waarin de inwoner woont moet geschikt zijn om in te wonen ondanks diens beperkingen.
 

Hoogte van het risicobedrag

Het risicobedrag wordt vastgesteld op € 100.000,-.
 

Wijze van berekening

Het risico wordt geschat op 2 dure woningaanpassingen van € 50.000,-.
 

Beheersing van het risico

Dit risico is niet te beheersen. De WMO 2015 verplicht gemeenten, in een situatie waarin een cliënt niet zelf zorg kan dragen voor een geschikte woning, ondersteuning te bieden bij het realiseren van een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. De ondersteuning is erop gericht een cliënt in staat te stellen de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en een gestructureerd huishouden te voeren. Er wordt uitgegaan van een ‘wooncarrière’, waarbij de woning wordt aangepast op de levensfase. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat in redelijkheid rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de voorzienbare ontwikkeling van die beperkingen.
Als uit de beoordeling van het college blijkt dat het wonen in een geschikt huis ook is te bereiken via een verhuizing, dan heeft dit de voorkeur. Dit is uiteraard alleen aan de orde als verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is.
 

8. Bouwvergunningen (onderdeel van de WABO)

Omschrijving

De ontvangsten van leges bouwvergunningen (onderdeel van de WABO) hebben een grillig verloop.
Er zijn jaren dat er een hogere opbrengst wordt gerealiseerd dan geraamd, maar er waren er ook magere jaren. Het jaar 2014 en 2015 zijn op de valreep toch nog licht positief uitgevallen.
Het jaar 2016 ziet er ook goed uit, maar de extra inkomsten zijn nodig om de extra uitgaven te dekken. De raming leges bouwvergunningen is met ingang van het jaar 2016 structureel met twee ton verlaagd. Al met al is het moeilijk te voorspellen hoeveel bouwaanvragen er in een jaar binnen komen. Dit is erg afhankelijk van de woningbouw, het aantal verbouwingen en overige bouwprojecten.
 

Hoogte van het risicobedrag

Wij stellen het risicobedrag voor de komende jaren vast op € 70.000,-.
 

Wijze van berekening

In de begroting is vanaf 2016 een bedrag geraamd van € 285.000,-. Het risicobedrag is berekend door 25% van deze € 285.000,- als risico te zien. Dit percentage is moeilijk te onderbouwen, maar op deze manier wordt er in de reservepositie van de gemeente wel rekening gehouden met tegenvallers voor deze post.
 

Beheersing van het risico

Om het risico te verkleinen is het belangrijk juist te ramen. Daarom wordt er bij de voorjaars- en najaarsnota de ontwikkelingen in beeld gebracht en wordt er op basis van de beschikbare informatie een extrapolatie gemaakt van de inkomsten en zo nodig het budget aangepast.
Verder is (zoals hierboven al vermeld) de raming leges bouwvergunningen vanaf 2016 met
twee ton structureel in de begroting verlaagd.
 
9. Rentekosten in de begroting

Omschrijving

In de paragraaf Financiering staat een beschrijving van de financieringsfunctie. Bij liquiditeitstekorten dient een keuze gemaakt te worden om kort of lang geld aan te trekken. Door renteontwikkelingen brengt het lenen van financieringsmiddelen risico’s met zich mee. Voor het jaar 2017 is het financieringstekort geraamd op € 9.533.000,-. Om dit tekort af te dekken wordt rekening gehouden met een rentelast van 0,75%.
De aandacht voor de schuldpositie van de gemeenten is de laatste jaren toegenomen. De totale hoogte van de langlopende schulden bedraagt per inwoner van de gemeente Heerde een bedrag van € 2.168,- (peildatum 1-1-2016).
 

Hoogte van het risicobedrag

Het risicobedrag is berekend op € 47.500,-.
 

Wijze van berekening

De financieringsbehoefte was geraamd op een bedrag van € 9,5 miljoen. Een half procent risico van dit bedrag is € 47.500,-.
 

Beheersing van het risico

Alle gemeenten hebben te maken met de Wet financiering decentrale overheden (Fido). Verder is het gemeentelijk beleid opgenomen in het Treasurystatuut. De wet Fido en dit statuut kadert de financierings- en beleggingsactiviteiten. Hierdoor worden de risico’s zo laag mogelijk gehouden. Om de risico’s verder nog te beheersen wordt frequent een liquiditeitsprognose opgesteld. Deze prognose geeft een inschatting van de cash flow en is een belangrijk hulpmiddel voor het eventueel aantrekken en uitzetten van gelden en de hoogte ervan. Verder zijn wij gehouden aan een kasgeldlimiet. Het is niet toegestaan om voor langere tijd (> 3 achtereenvolgende kwartalen) meer dan dit bedrag “rood” te staan of dit tekort af te dekken met een kortlopende lening (< 1 jaar). Dit tekort moet dan worden afgedekt met een langlopende lening.
 
10. Gewaarborgde geldleningen

Omschrijving

Onderstaande garanties zijn verleend.
1. Per 1 januari 2016 heeft de gemeente een garantieverplichting met een achtervangfunctie van
€ 96,8 miljoen, hoofdzakelijk aan Woonstichting Triada Wonen. De woningbouwcorporaties die aan het WSW (Waarborgfonds Sociale Woningbouw) deelnemen moeten zelf voldoende kredietwaardig zijn om hun verplichtingen na te komen. De eisen die aan corporaties gesteld zijn door het WSW zijn streng. Gemeenten hebben hierbij een achtervangfunctie. Het risico dat de gemeente in dit kader een renteloze lening moet verstrekken is gering. Tot nu toe is dit in Nederland nog niet voorgekomen. Ook de ontwikkeling met gekochte derivaten door Vestia leidt nog niet tot een aanspraak op het WSW. Dit was aanleiding voor de VNG om onderzoek te laten doen naar de risico’s die gemeenten lopen met de achtervangfunctie. De conclusie van dit onderzoek was dat de kans dat gemeenten vanwege hun achtervangfunctie renteloze leningen moeten verstrekken onder de huidige omstandigheden heel klein is.
 
2. De gemeente staat eind 2015 garant voor € 3,7 miljoen aan gewaarborgde geldleningen, waarvan het merendeel aan de Woningstichting, St. Woonzorg Nederland (HBB) en VSO ZMOK school de Sprengen. Het risico dat we hierop aangesproken worden is gering. Tot nu toe is de gemeente hier nog nooit op aangesproken.
 

Hoogte van het risicobedrag

Zoals aangegeven, dit is niet in te schatten. Uitgegaan wordt van nihil.
 

Wijze van berekening

Niet van toepassing.
 

Beheersing van het risico

Het risico op reeds afgesloten leningen is zeer gering. Door de jaarlijkse aflossingen op de leningen daalt het schuldrestant.
 
Voor een overzicht wordt hier een tabel met alle risico’s gepresenteerd:
 

 Resume risico's        (% van totaal baten)

1 Bedrijvenpark Hattemerbroek 2.050.000 I 5,4 %
3 Grondexploitatie 715.000 I 1,9 %
2 Drie decentralisaties 481.000 S 1,3 %
4 Algemene uitkering 375.000 S 1,0 %
5 Loon en prijspeil 191.000 S 0,5 %
6 Inkomensdeel participatiewet 170.000 S 0,4 %
8 Wonen in een geschikte woning 100.000 S 0,3 %
7 Bouwvergunningen 70.000 S 0,2 %
9 Rente 47.500 S 0,1 %
10 Gewaarborgde geldleningen - S  

 Resumé risico's
In totaal becijferen we het structurele risico op € 1.434.500,- en het incidentele risico op € 2.765.000,-.
 
Naast deze risico’s wordt nog het volgende niet financieel in te schatten risico genoemd:

  • De inning van de eigen bijdrage van de WMO voorzieningen. Opgemerkt wordt dat het CAK afhankelijk is van zorgaanbieders voor wat betreft aanlevering van juiste gegevens, het CAK eventueel zelf onjuiste berekeningen maakt van eigen bijdragen en dat het CAK een onjuiste afdracht doet aan de gemeente. Dit risico is kleiner geworden doordat een deel van de zorgklanten is overgestapt naar de Algemene Voorziening en het aantal zorgklanten ook is gedaald. De werkzaamheden van het CAK worden overigens wel afgedekt met een accountantsverklaring. 
  • Fiscale risico’s. Alle gemeenten hebben te maken met fiscale wetgeving die voortdurend in beweging is. De aandacht voor een juiste toepassing/naleving daarvan krijgt steeds meer aandacht van de Belastingdienst. Door de Belastingdienst wordt steeds strenger opgetreden en het opleggen van (forse) boetes bij geconstateerde onjuistheden komt steeds vaker voor. Ondanks alle vereenvoudigingswensen is de fiscale regelgeving op vele terreinen per saldo niet eenvoudiger, maar juist ingewikkelder geworden. Desondanks probeert de gemeente toch de meest fiscaal gunstige weg te bewandelen. Met ingang van het jaar 2016 komt er voor de gemeenten een nieuw belastinggebied bij, namelijk de Vennootschapsbelasting (VPB). Over de precieze toepassing zijn veel onduidelijkheden.

 

Relatie tussen risico's en weerstandscapaciteit

Hieronder wordt in een tabel aangegeven hoe de risico’s in verhouding staan ten opzichte van de weerstandscapaciteit. De conclusie is dat de weerstandscapaciteit zowel structureel als incidenteel afdoende is.

 Structurele weerstandcapaciteit:

De in deze paragraaf berekende structurele risico’s (dus zonder die van de grondexploitatie en verbonden partij bedrijventerrein Hattemerbroek) zijn € 1.434.500,-. Afgezet tegen de € 2,9 miljoen ruimte die we nog hebben ten opzichte van de duurste gemeente kan de conclusie getrokken worden dat wij die ruimte hebben.

Maar, het ramen van deze risico’s moet wel in het juiste perspectief worden gezien. Het is nog geen uitgaaf en niet alle risico’s zullen zich naar verwachting op hetzelfde moment voordoen.

 

Incidentele weerstandscapaciteit:

De in deze paragraaf berekende incidentele risico’s van € 2.765.000,- bestaan uit die van de eigen gemeentelijke grondexploitaties en van de verbonden partij bedrijvenpark Hattemerbroek. Deze risico’s moeten afgedekt worden door de niet geblokkeerde reserve Grondexploitatie van € 5.407.000,-. Zoals het overzicht laat zien is dit voldoende.

 

Kengetallen en Weerstandsratio

Kengetallen

Door een wijziging in het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeente (BBV),moeten er in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing kengetallen opgenomen worden. De op te nemen kengetallen zijn: netto schuld quote, netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, solvabiliteitsratio, structurele exploitatieruimte, grondexploitatie en belastingcapaciteit. Doel is om het voor raadsleden eenvoudiger te maken om inzicht te krijgen in de financiële positie van de gemeente Heerde. De kengetallen voor de begroting moeten vanuit een begrote balans gemaakt worden. Een balans maken voor de begroting zijn gemeenten niet gewend. Een onderdeel van deze begrote balans is activa en passiva met een korte looptijd zoals de posten debiteuren, kas- en banktegoeden en crediteuren. Deze posten zijn moeilijk te ramen en beïnvloeden dus de kengetallen.De kengetallen voor de jaarrekening kunnen wel eenvoudig uit de balans gehaald worden. Want een balans was altijd al een verplicht onderdeel van de jaarrekening.

De meerwaarde van het vergelijken van de begrote en de werkelijke kengetallen zal in de toekomst helder worden. Het valt daarom niet uit te sluiten dat bij de jaarrekening hele andere uitkomsten worden berekend dan bij een begroting.

 

 Toelichting: 

1a. Netto schuldquote

De netto schuld weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de gemeente ten opzichte van de baten. De netto schuldquote geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Onze gemeente scoort hier gemiddeld. 

1a Netto schuldquote

  Bij begroting ultimo jaar Rek. t-1 begr. t begr. t+1 Begr. 2017
  Bij jaarrekening ultimo jaar rek. t-1 begr. t rek. t  
A Vaste schulden (cf. art. 46 bbv) 39.420.081
B Netto vlottende schuld (cf. art. 48 BBV) 12.426.949
C Overlopende passsiva (cf. art. 49 BBV) 1.500.000
D Financiële activa (cf. art. 30 lid d, e, f en g) 1.707.715
E Uitzetting < 1 jaar (cf. artk. 39 BBV) 3.955.081
F Liquide Middelen (cf. art. 40 BBV) 150.000
G Overlopende activa (cf. art. 40a BBV) 1.000.000
H Totale baten (cf. art. 17 lid c BBV (voor jaarrekening art. 27 lid c) ( dus excl. mutaties reserves) 37.316.681
  Netto schuldquote (A+B+C-D-E-F-G/H x 100% 125 %

1b. Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle leningen

Om inzicht te verkrijgen in hoeverre sprake is van doorlenen wordt de netto schuldquote zowel in- als exclusief doorgeleende gelden weergegeven (netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen). Op die manier wordt duidelijk in beeld gebracht wat het aandeel van de verstrekte leningen is en wat dit betekent voor de schuldenlast. De wijze waarop de netto schuldquote gecorrigeerd voor de doorgeleende gelden wordt berekend is gelijk aan de netto schuldquote, met dien verstande dat bij de financiële activa ook alle verstrekte leningen worden opgenomen Onze gemeente scoort hier gemiddeld. 

1b Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

  Bij begroting ultimo jaar Rek. t-1 begr. t begr. t+1 Begr. 2017
  Bij jaarrekening ultimo jaar rek. t-1 begr. t rek. t  
A Vaste schulden (cf. art. 46 bbv) 39.420.081
B Netto vlottende schuld (cf. art. 48 BBV) 12.426.949
C Overlopende passsiva (cf. art. 49 BBV) 1.500.000
D Financiële activa (cf. art. 30 lid b, c, d, e, f en g) 3.590.997
E Uitzetting < 1 jaar (cf. artk. 39 BBV) 3.955.081
F Liquide Middelen (cf. art. 40 BBV) 150.000
G Overlopende activa (cf. art. 40a BBV) 1.000.000
H Totale baten (cf. art. 17 lid c BBV (voor jaarrekening art. 27 lid c) ( dus excl. mutaties reserves) 37.316.681
  Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen (A+B+C-D-E-F-G)/H X 100 % 120%

 

2. Solvabiliteitsratio

Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de reserves (zowel de algemene reserve als de bestemmingsreserves) en het resultaat uit het overzicht van baten en lasten. In het algemeen wordt een getal onder de 20% als risicovol gezien en boven de 50% als veilig. Onze gemeente scoort hier gemiddeld.

2. de solvabiliteitsratio

  Bij begroting ultimo jaar Begr. 2017
  Bij jaarrekening ultimo jaar  
A Eigen vermogen (cf. art. 42 1e lid BBV) 18.042.140
B Balanstotaal (totaal van alle passiva volgens art. 41 en 47 ) 76.419.327
  Solvabiliteit (A/B) x 100% 24%

 3. Structurele exploitatieruimte

Voor de beoordeling van het structurele en reële evenwicht van de begroting wordt thans het onderscheid gemaakt tussen structurele en incidentele lasten. Bij incidentele lasten of baten gaat het om eenmalige zaken die zich gedurende maximaal drie jaar voordoen. Om de structurele lasten en baten te bepalen worden de incidentele lasten en baten van de totale lasten en baten afgetrokken.

De structurele exploitatieruimte wordt bepaald door het saldo van de structurele baten en lasten en het saldo van de structurele onttrekkingen en toevoegingen aan reserves gedeeld door de totale baten en uitgedrukt in een percentage. Onze gemeente scoort hier gemiddeld. 

3. Structurele exxploitatieruimte

  Bij begroting Begr. 2017
  Bij jaarrekening  
A Totale structurele lasten 36.529.338
B Totale structurele baten 37.316.681
C Totale structurele toevoegingen aan de reserve 1.160.820
D Totale structurele onttrekkingen aan de reserve 380.711
E Totale baten 37.316.681
  Structurele exploitatieruimte ( (B-A) + ( D-C)) / (E) X 100% 0%

4. Grondexploitatie

De deelname van Heerde aan het gezamenlijk bedrijventerrein is hier niet meegerekend. Dit is namelijk geen grondexploitatie van de gemeente zelf.

De afgelopen jaren is gebleken dat grondexploitatie een forse impact kan hebben op de financiële positie van een gemeente. De boekwaarde van de voorraden grond is van belang, omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. Voor de berekening van dit kengetal wordt de boekwaarde van de bouwgrond in exploitatie gedeeld door de totale baten uit de programmabegroting of jaarstukken en uitgedrukt in een percentage. Het risicopercentage in onze gemeente is laag. 

4. kengetal grondexploitatie

  Bij begroting ultimo jaar Begr. 2017
  Bij jaarrekening ultimo jaar  
A Niet in exploitatie genomen bouwgronden (cf. art. 38 lida punt 1 BBV) -
B Bouwgronden in exploitatie (cf. art. 38 lid b BBV) 6.077.560
C Totale baten (cf. art. 17 lid c BBV (dus excl mutaties reserves)) 37.316.681
  Grondexploitatie (A+B) / C X 100 % 16%

5. Belastingcapaciteit

De ruimte die een gemeente heeft om zijn belastingen te verhogen wordt vaak gerelateerd aan de totale woonlasten. Het Coelo publiceert deze lasten ieder jaar in de Atlas van de lokale lasten. Onder de woonlasten worden verstaan de OZB voor een woning met gemiddelde WOZ-waarde, de rioolheffing en afvalstoffenheffing. Dit wordt afgezet tegen de gemiddelde woonlasten in Nederland in het voorafgaande jaar. Onze gemeente scoort een hoog kengetal voor de gemiddelde woonlasten.

 

Weerstandsratio

De weerstandsratio is een kengetal dat aangeeft in welke mate de gemeente in staat is om risico’s op te vangen. Dit kengetal wordt berekend door de beschikbare weerstandscapaciteit te delen door de benodigde weerstandscapaciteit. Eenvoudig gezegd betekent dit: welk bedrag is berekend aan risico’s en welk bedrag is er om deze risico’s af te dekken. In dit overzicht worden twee kengetallen gegeven. De eerste is het weerstandsratio in relatie tot de totale reservepositie en de tweede is het weerstandsratio in relatie tot alleen de reserve Grondexploitatie. De conclusie van beide kengetallen is dat de risico’s ruim afgedekt worden door de reserves.